Het voorseizoen: Opdracht

Opdracht niveau 4 | Verteltechniek: focalisatie

Het is goed mogelijk dat je erover heen hebt gelezen, maar er is iets raars aan de hand met het perspectief in Het voorseizoen. In deze opdracht ga je onderzoeken hoe dat perspectief in elkaar zit en welke uitwerking dat op jou als lezer heeft.

Titel 'Het voorseizoen'
Niveau boek niveau 3
Opdracht niveau 4 | verteltechniek: focalisatie
Studielast 1 à 2 uur
Werkvorm individueel
Focus verteltechniek: focalisatie
Je leert over focalisatie.
Gemaakt door Marlies Schouwstra

A

Bestudeer 'Perspectief' onder (Literaire) theorie en beantwoord de vragen.


Vraag 1


Van welk perspectief is sprake in Het Voorseizoen?


Vraag 2


De laatste zinnen van hoofdstuk 50 luiden:

Vind je het dan niet erg?' fluistert ze.
'Nee,' zeg ik, 'als je het maar hier doet, hier is het veilig.'
Het aftellen is begonnen.

Van wie is die laatste regel, denk je?

A van Steve

B van de schrijver

C dat weet ik niet zeker

D dat kun je niet zeker weten


Vraag 3


Vanaf hoofdstuk 50 is de hoofdstuknummering aflopend. Wie heeft de hoofdstukken genummerd?


Vraag 4

Op de achterflap van Het voorseizoen staat: 'Het lijkt me het beste om u te waarschuwen voor de kans dat u zelf Steve Mellors wordt, of erger nog: dat u hem eigenlijk al bent.'

Wie is hier aan het woord?

Kies uit:

A Steve

B David Pefko

C een redacteur van de uitgeverij

D dat weet ik niet

E dat kun je niet weten


B

Bestudeer 'Focalisatie' onder (Literaire) theorie.


Vraag 1


Welke instanties (meervoud!) fungeren als focalisator?


Vraag 2


Kijk nog eens naar je antwoord op vraag 1 van opdracht A. Zou je nu hetzelfde antwoord geven? Licht je antwoord toe. Kies uit:

A ik-perspectief

B perspectief van impliciete auctoriale verteller

C perspectief van expliciete auctoriale verteller

D een mengvorm, namelijk …


Vraag 3


Welk spanningsveld ontstaat door deze vertelsituatie? Je mag meerdere antwoorden kiezen. Licht je keuze toe aan de hand van een voorbeeld uit Het voorseizoen.

a Je krijgt een ander beeld van Steve dan hij van zichzelf heeft.

b Je weet meer dan Steve.

c Je kunt je minder goed in Steve inleven; je ziet hem meer van een afstandje.

d Anders, namelijk ….


Vraag 4


Zou Het voorseizoen, wat jou betreft, een beter of een slechter boek zijn geweest als David Pefko had gekozen voor één focalisator? Licht je antwoord toe in ongeveer 100 woorden.


Extra uitdaging


In hoofdstuk 0 gebeurt iets wat om verteltechnische redenen zo niet onmogelijk, maar dan toch tenminste behoorlijk raar is.


Vraag 1


Welke gebeurtenis is dat?


Vraag 2


Welk (verteltechnisch) bezwaar kun je aanvoeren tegen de manier waarop deze gebeurtenis wordt beschreven?

(Literaire)theorie


Perspectief
- Een ander woord voor perspectief is 'vertelstandpunt'. De verteller (en dat is nooit de schrijver zelf!) presenteert vanuit een bepaald gezichtspunt de personages en de gebeurtenissen.Er zijn drie soorten perspectief:

  1. ik-perspectief: de ik in het verhaal vertelt over zichzelf in de ik-vorm
  2. personaal perspectief: de verteller vertelt over personage in de z/hij-vorm; je weet wat het personage denkt en voelt, maar dat weet je doorgaans niet van de andere personages. Als dat wel het geval is, spreek van je van een wisselend of meervoudig perspectief.
  3. perspectief van de auctoriale verteller: de verteller doet zelf niet mee in het verhaal, hij staat er als het ware 'boven'. Hij is alwetend: hij weet, ziet en hoort alles. Een auctoriale verteller is expliciet als hij zichzelf als 'ik' opvoert en/of de lezer direct aanspreekt (bijvoorbeeld: 'Het zal u niet verbazen dat ….').Hij is impliciet als hij dat niet doet. In dat geval maakt hij zijn aanwezigheid in het verhaal kenbaar door bijvoorbeeld oordelen te geven, de gebeurtenissen te becommentariëren of ironiseren of door meer te weten dan het personage zelf.


Focalisatie - Als je een boek leest vorm je je een beeld van een personage. Dat beeld vorm je je op basis van de informatie die je over het personage krijgt. Het is echter heel belangrijk dat je je realiseert dat het ook heel belangrijk is wie deze informatie geeft. De visie op iemand wordt immers gekleurd door degene die kijkt. Dat noem in literatuurwetenschappelijke termen de 'focalisator'. Ga maar na: als jij ruzie hebt met je moeder, heb je een heel ander beeld van haar dan je zusje, die net gezellig met haar de stad in is geweest en een nieuwe jas heeft gekregen. Toch is het dezelfde moeder.

Verschillende instanties kunnen focaliseren: 

  • de auctoriale verteller
  • een of meer andere personages
  • het personage zelf


Deze visies kunnen in een verhaal door elkaar heen geweven worden. Daardoor ontstaat een spanningsveld tussen, bijvoorbeeld, het beeld dat een personage van zichzelf heeft en het beeld dat jij als lezer hebt.

Naar: Joke van Balen e.a., Basisboek literatuur. Groningen, Uitgeverij kleine Uil, 2009, p. 101-107