Zien wat van gisteren overbleef: Opdracht
Opdracht niveau 2 | Verhaallijnen
| Titel | Zien wat van gisteren overbleef |
|---|---|
| Niveau boek | niveau 3 |
| Opdracht | niveau 2 | Verhaallijnen |
| Studielast | 2 uur |
| Werkvorm | Individueel |
| Focus | Structuur |
| Je leert | reflecteren op de manier waarop het gebruik van twee verhaallijnen betekenis aan een roman geeft. |
| Gemaakt door | Jan Erik Grezel |
| Bron | Bron 1 |
In besprekingen van Zien van wat gisteren overbleef roemen recensenten de compositie van de roman. Zie bijv. bron 1. En Judith Eiselin schrijft op nrc.nl (29 januari 2026): ‘De roman vertelt een klein verhaal, rechttoe rechtaan, lijkt simpel en terloops te zijn, maar zit geraffineerd in elkaar.’
In deze opdracht ga je na wát die structuur is, hoe je die als lezer ervaart en op welke manier de opbouw bijdraagt aan de leesbaarheid én de betekenis van de roman.
A
- Noteer voor elk van de eerste zes hoofdstukken in welke tijd of jaren het hoofdstuk (ongeveer) speelt.
- Stel dat je alle hoofdstukken indeelt in twee rubrieken, naar de tijd waarin deze hoofdstukken spelen. Welke titels zou je boven die perioden zetten?
- Kijk nu naar de laatste vijf hoofdstukjes (65-69). Plaats die in een van beide tijdlijnen.
- Heeft de schrijver consequent per hoofdstuk die twee perioden afgewisseld? Waarom (niet), denk je?
B
- Hoe weet je als lezer in welke lijn je zit als je met een nieuw hoofdstuk begint?
- Ben je daarover wel eens in verwarring geweest? Hoe kwam dat?
- Wat doe je als je ‘even de draad van de tijd’ kwijt bent?
- Hoe beoordeel jij de afwisseling tussen heden en verleden? Heeft het boek die afwisseling echt nodig? Leg uit; bedenk daarbij bijvoorbeeld hoe het boek zou zijn als de twee verhaallijnen achter elkaar verteld zouden worden.
C
- Beschrijf in enkele zinnen ‘het verhaal’ van de historische lijn.
- Noem in steekwoorden de belangrijkste zaken die in de andere lijn verteld worden.
- Zoek enkele passages uit de eerste helft van het boek waarin Jaap Kegge zijn verhaal van het verleden beoordeelt. Wat vindt hij van zijn ‘roman-in-wording’?
- Ben jij het daarmee eens of ervaar jij het historische verhaal anders? Leg uit in hoeverre je het wel of niet met Kegge eens bent.
D
- De twee verhaallijnen lopen aanvankelijk min of meer onafhankelijk van elkaar. Wat verandert daarin naarmate de verhalen voortgaan?
- Hoe eindigen beide verhaallijnen? Welke overeenkomsten en verschillen zie je daarin?
- Wat zou de illustratie op het boekomslag over die verhaallijnen willen uitdrukken?
- Een recensent noemt de structuur van het boek ‘geraffineerd’ (zie A). Voel jij dat ook zo? En waarin schuilt dan dat raffinement?
E
Het romanpersonage Jaap Kegge en de schrijver van dit boek Koos Meinderts lijken wel bijzonder veel op elkaar. Zoek voor de beantwoording van de volgende vragen eventueel wat gegevens over Koos Meinderts op.
- Noem een stuk of vijf duidelijke overeenkomsten tussen de auteur Meinderts en zijn creatie Jaap Kegge.
- Waarin verschillen zij toch enigszins van elkaar?
- Waarom zou Meinderts voor een alter ego hebben gekozen?
- Vind je dat Meinderts ‘zich verschuilt’ achter Kegge? Leg uit.
- Is schrijver Koos Meinderts er naar jouw idee dankzij de structuur in geslaagd om van het leven van zijn ouders een leesbaar verhaal te maken? Leg uit.


