Drift: Opdracht

Opdracht niveau 4 | Autofictie

Titel Drift
Niveau boek niveau 4
Opdracht niveau 4 | Autofictie
Studielast 2 uur
Werkvorm Individueel
Focus Autobiografisch gehalte van de roman
Je leert over het onderscheid tussen autobiografie en fictie.
Gemaakt door Jan Erik Grezel
Bron Bron 1
Bron 2
Bron 3

Bij deze opdracht concentreer je je op de dagboekfragmenten in de roman.

A

Veel mensen houden ooit in hun leven – of hun leven lang – een dagboek bij. Rond dagboeken hangt vanwege de intimiteit ook een soort geheimhouding: je noteert er soms in wat je niet aan anderen wilt vertellen. Bovendien is een dagboek een populair literair genre. Er zijn auteurs die vooral door hun openhartige dagboeken bekend zijn geworden. Het allerbekendste Nederlandse boek wereldwijd is een dagboek: Het Achterhuis van Anne Frank.

De antwoorden op de vragen onder A kun je voor jezelf houden, als je vindt dat het ‘te privé’ wordt.

  1. Wat voor redenen kun je bedenken waarom mensen met een dagboek beginnen?
  2. Als jij zelf een dagboek bijhoudt: wat voor zaken schrijf je daarin op? Gaat het bijvoorbeeld om dagelijkse dingen, gedachten en gevoelens, onbenulligheden, weergave van gesprekken, relaties met vrienden en familie?
  3. Als je geen dagboek bijhoudt: wat weerhoudt je ervan dat te doen? Als je de opdracht kreeg dat toch een week lang te doen, wat zou je er dan in noteren?
  4. Stel je voor dat je een dagboek hebt bijgehouden en dat iemand je aanmoedigt om dat (of delen daaruit) te publiceren, omdat je goed kunt schrijven. Welke overwegingen kun je bedenken om dat wel of niet te doen?


B

  1. Hoe zou je de dagboekfragmenten van de hoofdpersoon karakteriseren? Wat noteert zij? Zijn het de dagelijkse dingen en/of vooral veel intieme zaken, gedachten en gevoelens? 
  2. Leg uit hoe de hoofdpersoon duidelijk maakt waarom zij zo veel in haar dagboeken schrijft. 
  3. Krijg je als lezer de indruk dat de dagboekfragmenten die de hoofdpersoon heeft geschreven, bedacht zijn door de schrijfster of (deels) werkelijk gebeurd? 
  4. Lees nu bron 1. In hoeverre sluit deze bron aan bij wat je op de vorige vraag hebt geantwoord? 
  5. Lees bron 2. Krijg je uit dit (deel van een) interview een ander beeld van het autobiografische gehalte van de roman? Leg uit.
  6. Met welk dilemma kun je als schrijver te maken krijgen wanneer jouw fictie verstrengeld raakt met ‘wat er echt gebeurd is’?
  7. Bekijk bron 3. Je hoeft niet het hele interview te beluisteren, het gaat vooral om de passage vanaf 07:00 tot 09:00. Wat is de kern van de ideeën van zowel Bregje Hofstede als Connie Palmen over de opkomst van ‘auto(bio)fictie’?


C

In bron 3 praten Bregje Hofstede en Connie Palmen over ‘autofictie’. Wat is dat nou precies? ‘‘Autofictie stuurt de lezer niet zoals in een autobiografische roman heen en weer tussen een fictionele en een referentiële lectuur, waardoor deze geneigd is naar ‘sleutels’ te zoeken, maar dwingt de lezer tot nadenken over de problematische relatie tussen werkelijkheid en verbeelding, tussen feit en weergave.’
(Hier vind je de definitie uit het Algemeen letterkundig lexicon; en hier een artikel uit Parmentier waarin het onderwerp verder wordt uitgediept.)

Stel je voor dat je schrijfster Bregje Hofstede gaat interviewen. Je wilt met haar ook praten over het onderscheid autobiografie – autofictie – fictie. Noteer minimaal drie vragen daarover en bedenk wat de schrijfster daarop zou kunnen antwoorden.