Mijnwerk: Opdracht
Opdracht niveau 6 | Proëzie
| Titel | Mijnwerk |
|---|---|
| Niveau boek | niveau 6 |
| Opdracht | niveau 6 | Proëzie |
| Studielast | 4 uur |
| Werkvorm | Individueel |
| Focus | Een literaire tussenvorm: tussen poëzie en proza |
| Je leert | wat de meerwaarde is van een combinatie van twee genres, in dit geval poëzie en proza. |
| Gemaakt door | Dietske van den Berg-Geerlings |
| Bron | Bron 1 |
| Bron 2 |
A
- Heb jij herinneringen aan toen je nog heel klein was? Probeer één of een paar vroegste herinnering(en) in een paar zinnen te beschrijven. Bedenk welke zintuigen bij die herinnering(en) betrokken zijn.
- Hoe zeker ben jij ervan dat jouw herinnering ‘klopt’? Zijn er bijvoorbeeld ook familieleden die deze herinnering(en) hebben bevestigd? Maakt het voor jou uit of een herinnering wel of niet klopt?
B Lees bron 1 en beantwoord daarna de vragen
- Zoek in Mijnwerk naar een fragment dat jij eerder poëzie dan proza zou noemen. Leg uit aan de hand van concrete kenmerken van het fragment waarom je dit meer poëzie vindt.
- Zoek in Mijnwerk ook een fragment dat jij juist eerder proza zou noemen en leg ook hier aan de hand van concrete kenmerken van het fragment uit waarom.
- Remco Ekkers noemt het genre waarin Stokkevingers (een van de eerder uitgegeven episodes uit Mijnwerk) ‘proëzie’, een tussenvorm tussen proza en poëzie. Noteer precies welke kenmerken Ekkers aan deze tussenvorm toeschrijft.
- Hoe zit het nu met de fragmenten die je bij B1 en B2 hebt gekozen: zie je ook kenmerken van de tussenvorm die Ekkers beschrijft? Leg je antwoord uit.
- Ekkers schrijft:
De lezer krijgt flarden van gebeurtenissen te zien, heden en verleden lopen door elkaar heen en in het verleden word je ook nog eens geconfronteerd met verschillende tijdslagen. De gebeurtenissen zijn niet door de klok, niet door causaliteit met elkaar verbonden, maar door diepere verbanden. In de herinnering van emoties raken de metaforische verbanden aan oppervlakte-gebeurtenissen en zij worden aan de lezer gepresenteerd via de herbeleving van de gevoelens. Een kind ziet dingen, voelt emoties rondgaan in het gezin, maar kan geen verklaringen vinden. Volwassen geworden geloven we in chronologie en causaliteit, maar kunnen we de rondgang van gevoelens daarmee verklaren? Is het beeld van de mist waarin we rondwaren, met af en toe een open plek, niet adequater voor onze beleving? Kreek Daey Ouwens kan niet geloven in de zogenaamde volwassen helderheid.
Geef uit een of twee van de andere bundels dan Stokkevingers ten minste twee concrete voorbeelden van wat Ekkers hier in algemene bewoordingen beschrijft en leg uit wat je precies van Ekkers' omschrijving in de voorbeelden herkent.
- Vind je deze tussenvorm ‘proëzie’ geschikt voor het beschrijven van herinneringen? Leg je antwoord uit.
- Ekkers eindigt zijn stuk met: ‘De lezer denkt: we kunnen zoveel niet verklaren, nog steeds niet en het doet er niet toe.’ Dacht jij dit als lezer ook? En ben je het eens met die gedachte van Ekkers’ ‘lezer’? Waarom wel/niet?
- In de uitgave Een mogelijk begin van veel; 29 dichters aan het werk, waarin allemaal auteursportretten (foto’s en interviews) zijn opgenomen, staat ook een interview met Kreek Daey Ouwens.
De interviewer vraagt: ‘Waarom keer je telkens terug naar dezelfde kleine wereld? Het huis, je moeder, je grootmoeder, de twee grootvaders die bij jullie inwoonden?’
Daey Ouwens antwoordt:
Omdat je dat bent. Dat ben je. Daar ben je er het dichtst bij. Die allereerste herinneringen zijn nog niet aangetast door de herhaling. Later zul je nooit meer die directheid of die puurheid ervaren van een eerste herinnering. Ooit heb ik ergens geschreven: ‘Er is maar één herinnering en die verandert telkens.’ Die zin reed vervolgens tijdens Poetry International op een vuilniswagen door Rotterdam. Ik zag hem voorbijkomen toen ik bij een bushalte stond. Ik dacht: O, wat heb ik nou weer gezegd. Maar voor mij is het echt zo: Je leven wordt gekleurd door die eerste herinnering, die blijft zich herhalen, en herhalen, er komt iets bij en er gaat iets af. Maar het blijven gewoon dezelfde scheuten van pijn.
Ga in Mijnwerk op zoek naar een voorbeeld van zo’n herhaling. Breng zorgvuldig in kaart wat erbij komt, wat eraf gaat en wat blijft. Gaat het hier ook om ‘scheuten van pijn’? Waarom wel/niet?
- In het bij vraag 8 genoemde interview vertelt Daey Ouwens dat ze al haar werk typt op een typemachine en daarin een nogal bijzondere werkwijze heeft. Ze begint namelijk iedere dag opnieuw: ‘Ik typ alles over en dan kan ik pas verder. Het is heel omslachtig maar ik moet echt bij de eerste zin beginnen om in dat gevoel te komen.’ Zo moet zij dus iedere dag langer typen: ‘Ja, het is ... een beetje een afwijking, maar ja, het is ook heel fijn. Het geeft een soort cadans.’
Vind je dat haar manier van werken past bij wat zij bij vraag 8 zegt over de herinnering? Leg je antwoord uit.
C Lees bron 2 en beantwoord daarna de vragen
- Ook interviewer Monique Wilmer-Leegwater en Kreek Daey Ouwens zelf spreken over een tussenvorm tussen poëzie en proza. Welke overeenkomsten en verschillen zie je tussen hun omschrijving daarvan en die van Ekkers?
- Beschrijf op basis van bron 2 nauwkeurig wat Kreek Daey Ouwens heeft willen overbrengen in Mijnwerk.
- Vind je dat ze daarin geslaagd is, en in hoeverre speelt daarin de keuze voor de tussenvorm 'proëzie' een belangrijke rol? Leg je antwoord uit.
D
Kies een fragment uit Mijnwerk dat jij een goed voorbeeld vindt van proëzie. Schrijf over dit fragment een kort essay van ongeveer 500 woorden of bereid een presentatie van ongeveer tien minuten voor, waarin je de kenmerken van proëzie uitlegt aan de hand van dat fragment. Maak gebruik van uitspraken uit bron 1 en 2 in je uitwerking en verwerk in je eigen essay ook je eigen oordeel over het fragment. Zorg voor een logische opbouw en verzorgd taalgebruik.
