Rituelen: Opdracht

Opdracht niveau 6 | Intertekstualiteit

Titel Rituelen
Niveau boek 6
Opdracht Niveau 6 | intertekstualiteit
Studielast 4 uur
Werkvorm Individueel
Focus Intertekstualiteit
Je leert Intertekstualiteit analyseren en interpreteren
Gemaakt door Monique Metzemaekers
Bron 1 Harry Bekkering, 'Rituelen, een ongewoon rijk boek'
Bron 2 Henk Harbers, 'Rituelen', in: Lexicon van Literaire Werken (1990)
Bron 3 Juryrapport bij de Constantijn Huygensprijs 2011 (voor het hele oeuvre), en dankwoord Van der Heijden

A

Vraag 1


Zijn je tijdens het lezen van Rituelen verwijzingen naar andere schrijvers en/boeken opgevallen? Zo ja, citeer dan de betreffende passage(s) en leg uit welke auteur of welk werk je herkende en waardoor dat kwam.

B

In bron 1 gaat Rudi van der Paardt uitvoerig in op hoe de Aeneis van Vergilius in Rituelen verwerkt is. Daarnaast bespreekt hij ook andere allusies (zie voor een uitleg van dit begrip de Literaire theorie) in Rituelen.

Opdracht 1

Maak een overzicht van de belangrijkste allusies die Van der Paardt bespreekt. Doe dat volgens het onderstaande schema.

Opdracht 2

Lees ook 'Het intertextuele karakter van Rituelen', onderdeel van het artikel 'Rituelen, een ongewoon rijk boek' (bron 2). Vul je schema met allusies aan.

Allusie Rituelen Toelichting
Narcissus Inni Wintrop Inni houdt niet genoeg van zichzelf, terwijl Narcissus juist te veel van zichzelf hield.

C

Jaap Goedegebuure stelt in zijn studie over Rituelen dat hij weinig voelt voor de toepassing van de intertekstualiteit bij interpretaties, omdat een van de uitgangspunten daarbij is dat 'het er niet toe doet of een literair werk bewijsbaar door een andere tekst be├»nvloed is of niet'. Harry Bekkering stelt dat intertekstualiteit 'alleen maar zin heeft, wanneer er ook interpretatief iets mee gedaan kan worden'.

Schrijf een betoog (600 woorden) over intertekstualiteit in Rituelen. Kies het standpunt van Jaap Goedegebuure of het standpunt van Harry Bekkering als uitgangspunt. Onderbouw je betoog aan de hand van een aantal voorbeelden uit het overzicht dat je bij B gemaakt hebt. Ook kun je je eigen voorbeelden bij A gebruiken. Indien nodig kun je bron 3 bij je betoog betrekken.

(Literaire)theorie

'Allusie', in: Joke van Balen e.a., Basisboek literatuur. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2009, p. 164. Zie ook: 'Intertekstualiteit', in: Joke van Balen e.a., Basisboek literatuur. Groningen: Uitgeverij kleine Uil, 2009, p. 100.