Circus

Werkstukken en spreekbeurten

Je bent vast weleens naar het circus geweest. Hoe is dat eigenlijk ontstaan, zo'n circus?

Geschiedenis

De geschiedenis van het circus begint in 1770. Een Engelse sergeant, Philip Astley, vertoonde allerlei kunstjes op paarden. Dit deed hij in een piste. Dat is een grote ronde ruimte met een tribune eromheen. Later liet hij een gebouw maken. Hij nodigde zangers, dansers en clowns uit. Deze traden dan op tussen de paardennummers door. Het woord circus komt uit het Latijn en betekent cirkel. De Romeinen gebruikten deze naam voor hun renbanen waar zij wagenrennen hielden. Philip had in Parijs veel succes met zijn circus. In de negentiende eeuw ontstonden er in Frankrijk en Engeland overal circussen. Vaak waren het hele families die samen een circus oprichtten. Nu kennen we het circus als een tent waarin een gezelschap van rondtrekkende artiesten zijn kunsten vertoont.

Rondtrekken

Een circus slaat zijn tent voor een paar dagen of een week in een stad op. Daarna wordt alles weer ingepakt en naar een volgende plek gebracht. De tent, de caravans waar de artiesten in slapen, de wagens met de dieren: alles moet mee. De kinderen uit het circus gaan naar een speciale school, die met hen meereist.

Artiesten

Wie naar een circus gaat, ziet veel verschillende artiesten. Er zijn bijvoorbeeld jongleurs, acrobaten, koorddansers, clowns en goochelaars. Veel circussen hadden ook dieren die kunstjes vertoonden, maar sinds 2015 is dat in Nederland verboden. In veel andere landen zijn wel nog wilde dieren te zien in het circus. Iemand die wilde dieren zoals leeuwen en tijgers kunstjes leert, noem je een dompteur. De dompteur oefent elke dag met zijn dieren. Dit heet dresseren en dit kost heel veel tijd. De spreekstalmeester kondigt alle artiesten aan. Hij draagt vaak een net pak met een hoge hoed.