Schaatsen

Werkstukken en spreekbeurten

Schaatsen doen we al heel lang. Wist je dat er duizend jaar geleden al werd geschaatst? Toen waren er natuurlijk nog niet van die moderne schaatsen zoals we die nu hebben.

Geschiedenis

Vele eeuwen geleden schaatsten de mensen op botten van dode dieren. Ze bonden de botten met touw onder hun voeten vast. Ook gebruikten ze een soort prikstokken om vooruit te komen. Vanaf het eind van de veertiende eeuw kwam de ijzeren schaats waarmee je een slag kon maken. De grootste verandering kwam eind negentiende eeuw uit Noorwegen. Dit was de schaats met vaste schoen, de hoge noor. Het duurde nog tot na 1950 tot de houten schaats verdrongen werd. Nu rijdt bijna iedereen op noren.

Soorten schaatsen

Kleine kinderen schaatsen op schaatsen met dubbele ijzers. Je hebt meer evenwicht en valt minder snel. Sommige kinderen schaatsen nog op de Friese doorloper. Dit is een houten schaats met één ijzer. Als je hier goed op kunt schaatsen kun je ook op lage noren. Hiermee kun je harder afzetten. Met hoge noren moet je meer evenwicht bewaren. Het handige van deze schaatsen is dat je in de bochten en met afzetten het ijs niet kunt raken. Ben je echt goed, dan kun je de klapschaats gebruiken. Doordat de schoen los zit van het ijzer kun je langer en harder afzetten.

Langebaanschaatsen

Het langebaanschaatsen was in het begin eigenlijk gewoon schaatsen. Pas toen de Koninklijke Nederlandse Schaatsbond (KNSB) in 1882 werd opgericht, kwamen er nationale wedstrijden. Snel daarna volgden ook de internationale wedstrijden. Bij de wedstrijden rijden schaatsers op een ovale baan van vierhonderd meter. Er wordt in paren gereden. De één start in de buitenbaan en de ander in de binnenbaan. Op het rechte stuk wisselen de schaatsers iedere ronde. Iedereen maakt zo evenveel buiten- als binnenbochten. De vrouwen rijden de 500, 1000, 1500, 3000 en de 5000 meter. De mannen rijden de 500, 1000, 1500, 5000 en de 10.000 meter.